Over De Minstroom de parel van Utrecht-Oost

Je kunt het je bijna niet voorstellen, maar die smalle Minstroom is een van de overblijfselen van een drassig gebied waarin ooit brede rivieren en smallere zijstromen kronkelden. De geschiedenis van de beek begon zo’n 900 jaar geleden. Vanaf dat moment woonden er mensen langs die gebruik maakten van de vruchtbare riviergrond. Die historie is op veel plaatsen zichtbaar. Het belang van het water is nog steeds groot. De Minstroom is de parel van de buurt die de natuur de stad in brengt.

De Minstroom ligt in het gebied waarvan af ongeveer 4300 vóór Christus de Rijn stroomde. Die rivier kronkelde door het laagland en verlegde steeds zijn loop. De beek stroomt door een van die oude lopen. Op de oudste kaarten (zestiende eeuw) staat de beek al genoemd als Minstroom of de Min. Die naam komt mogelijk van ‘mindere stroom’, een kleinere stroom naast de Kromme Rijn.

In de tiende eeuw (na Chr.) liep de Rijn waarschijnlijk al door het bed van de huidige Kromme Rijn. Deze loop verzandde langzaam, maar met het belang ervan was het helemaal gedaan in 1122. In dat jaar werd de Kromme Rijn afgedamd bij Wijk bij Duurstede. Er bleef wel regenwater en kwelwater van de Utrechtse heuvelrug door de rivier stromen. Ter compensatie van het verlies van deze verbinding kreeg Utrecht stadsrechten. De jonge stad begon direct met de aanleg van een singel.

De Minstroom moet toen ongeveer haar huidige loop hebben gehad. De beek lag in een drassig, op sommige plaatsen veenachtig gebied. Na de afdamming van de Kromme Rijn begon de ontginning van dat veen. De belangrijkste wegen uit het gebied stammen uit de Middeleeuwen lagen er waarschijnlijk toen al. De Zonstraat en de Oudwijkerdwarsstraat vormden de verbinding vanaf de Tolsteegpoort (bij het Ledig Erf) met de abdij Oudwijk, een in 1131 gesticht zusterklooster aan het eind van de dwarsstraat. Over Absteder Achterdijk (de huidige Notebomenlaan), Vossegatsedijk en Weg naar Rhijnauwen liep de handelsroute naar Zeist en verder naar Keulen.

Foto: Centraal Museum

Vikingzwaard. Foto: Centraal Museum

Er zijn aanwijzingen voor menselijke aanwezigheid van al voor de twaalfde eeuw, zoals een Vikingzwaard uit de tiende eeuw dat in 1955 werd gevonden bij rioleringswerkzaamheden aan de Abstederdijk. Vrij zeker is het dat vanaf het begin van de geschiedenis van de stad er mensen woonden op de dijken langs de Minstroom. Dat blijkt uit opgravingen (Sporen aan de Singel PDF) in de tuin van het Hieronymushuis. Waarschijnlijk boerden zij al op de vruchtbare riviergrond.

Abstede en Oudwijk vormden vanaf de middeleeuwen tot in de twintigste eeuw de groente- en fruittuinen van Utrecht. De grond in Oudwijk was voor een groot deel in het bezit van de abdij. Het eigen personeel van de zusters en kleine pachtboeren bewerkten het. In Abstede woonden welgestelde hoveniers en kleine pachtboeren. Groente en fruit verkochten ze in de stad op de markt of van deur tot deur.

Het vervoer van de oogst ging gedeeltelijk met platte bodems over de Minstroom. Het stuk Minstroom langs de Rembrandtkade zou begin zestiende eeuw zijn gegraven, wat verklaart dat de beek hier een min of meer rechte loop heeft. Vanaf de zeventiende eeuw kon je over de Minstroom, de Ridderschapsvaart en Biltse Grift naar De Bilt. Via deze route ging het vervoer van mest naar de schrale zandgrond rond dit dorp. Op de terugreis waren de boten gevuld met zand waarmee de tuinders hun drassige grond verstevigden.

 

In de negentiende eeuw barstte Utrecht uit zijn jasje en werd er gebouwd buiten de inmiddels afgebroken stadsmuren. De aanleg van spoorlijnen en industrialisatie zorgden voor bevolkingsgroei.

De noordelijke kant van Oudwijk werd vanaf ongeveer 1800 de plek voor landgoederen, zoals Oudwijk, Oorsprong, het Hogeland en Compostel. Langs de oude Minstroomdijken kwamen vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw steeds meer woningen te staan tussen de oude boerderijen en hovenierswoningen. Sturing vanuit de gemeente was er amper. Het waren particulieren die grond kochten van tuinders en daar huizen op zetten.

Abstede veranderde van een tuindersgebied in een arbeidersbuurt, transformeerde van een buurtschap tot een stadswijk. Rond 1900 woonden er nog maar ongeveer dertig tuinders. Ook de industrie had de stap gemaakt naar de nieuwe buitengrens van de stad. Er waren twee stoomwasserijen en een asfaltfabriek, een elektronicafabriek  en een grote leerlooierij. Sommige van deze bedrijven waren afhankelijk van het water van de Minstroom.

Langzamerhand kreeg de gemeente meer grip op de stadsuitbreiding. Bij de aanleg van het Wilhelminapark en omgeving schreef de stad een prijsvraag uit voor een stedenbouwkundig plan en stelde eisen aan de te bouwen huizen. De woningwet van 1902 gaf gemeenten pas echt de mogelijkheid om nieuwbouw planmatig aan te pakken en speculanten buiten te sluiten. De schildersbuurt achter de Rembrandtkade moest een ‘kleine woonwijk’ worden voor de middenstand. Zo verdween ook in de twintigste eeuw steeds meer tuindersgrond langs de Minstroom.

De greep van de gemeente op de ruimtelijke orde werd steeds groter. Vanaf half jaren vijftig tot half jaren zeventig was Utrecht in de grip van verkeersplannen die moesten zorgen dat de binnenstad goed bereikbaar was voor auto’s. Ontwerpers tekenden in opdracht van de gemeente kaarten waarop brede toegangswegen dwars door de negentiende-eeuwse wijken werden getrokken alsof daar niemand woonde. Abstede bijvoorbeeld zou vrijwel volledig moeten worden gesloopt voor verkeersknooppunten die een ‘oost tangent’ aansloten op een ringweg om het centrum heen. De plannen riepen zoveel verzet op dat ze uiteindelijk allemaal in de kast verdwenen.

Gevolg was wel dat niet alleen de laatste tuinders uit de stad waren verdwenen, maar ook dat eigenaren jarenlang geen geld meer staken in de woningen in Abstede en Oudwijk. Die waren dan ook voor een groot deel verkrot. De gemeente dacht rond 1980 ook dit probleem aan te pakken met het grote gebaar. In dit geval: alles slopen en nieuwbouw. Op veel plekken in de wijken ontstonden comités die zich hier tegen verzetten. Opnieuw haalde de gemeente uiteindelijk bakzeil en in de loop van de jaren tachtig werden de oorspronkelijke sloopplannen voor een groot deel omgezet in het opknappen en verbeteren van de bestaande woningen.

De Werkgroep Herstel Leefbaarheid Oude Stadswijken Utrecht (PDF) was een van de initiatieven die zich inzette voor het behoud van het historisch aanzicht van de buurten. In 1979 pleitte de werkgroep ervoor om het zuidelijke Minstroomgebied te beschermen door het een onderdeel te maken van het rijks beschermd stadsgezicht waaronder de binnenstad valt. Het duurde tot 2013, maar toen verklaarde de gemeente dit gebied tot het eerste gemeentelijk beschermd stadsgezicht van Utrecht.

De Minstroom is voor de stad een opmerkelijk natuurfenomeen. Een beek die gedeeltelijk nog een oude bochtige route volgt, die soms bijna onverwachts tussen de huizen tevoorschijn komt en op vaak ruim in het groen ligt. Buurtbewoners beheren dat groen op sommige plekken met veel enthousiasme, bijvoorbeeld langs de Zonstraat en de Minkade. Er zijn opmerkelijk rustieke stukken zoals het Wilgenpad bij de Minkade en de statige kastanjes aan de Rembrandtkade. De Minstroom is een natuurlint dat een verbinding legt tussen het buitengebied en groengebieden in de stad. IJsvogeltjes en ringslangen weten bijvoorbeeld via deze route tot diep in de woonwijken te komen. Gemeente en buurtbewoners proberen op allerlei manieren ervoor te zorgen dat egels zich makkelijk kunnen verplaatsen langs en in de beek. Bij een inventarisatie in 1978 kon een lijst worden samengesteld m zo’n 130 verschillende plantensoorten. Te vrezen valt dat veel planten op die lijst nu niet meer terug te vinden vallen.

De Minstroom is geen bosbeek of een beek die haar weg kan zoeken door een ruim dal. Op sommige plekken is ze strak ingekaderd. Het rapport Wijkwaterplan Oost van gemeente en waterschap (2013) concludeert dat er weinig echte oeverplanten zijn en dat de taluds sterk zijn verruigd met vooral veel grote brandnetel. “Dit alles duidt op verstoorde omstandigheden met veel nutriënten, beschaduwing en onnatuurlijke oevers.” Ook de waterkwaliteit is slecht tot matig. Dat geeft aan dat er nog veel mogelijkheden zijn. Om er een paar te noemen:

  • De oevers zijn vrij stijl. Het is de moeite waard om te kijken waar het verloop wat groter kan zijn, wat meer mogelijkheden biedt voor een gevarieerdere begroeiing. Als beschoeiing echt nodig is, laat die dan onder de waterlijn blijven.
  • Laat zoveel mogelijk de zon op het water schijnen. Dat zorgt ervoor dat planten en dieren in het water meer kansen krijgen.
  • Waterbeestjes krijgen meer kans op diepere plekken in de beek. Hier en daar uitgraven helpt.
  • Inhammen, met planten omzoomd, kunnen dienen als rust-, vlucht- en paaiplaatsen voor dieren.
  • Het is nodig om oprukkende Japanse duizendknoop en reuzenberenklauw voortdurend weg te halen. Dat geeft ruimte aan natuurlijke planten.

over-de-minstroom-kaart

icon-end-page